Verkrijgende verjaring provinciegrond (II). Onrechtmatige daad door inbezitneming?

Zoals aangekondigd, besteden we ook deze keer weer aandacht aan de ‘verjaringszaak’ die speelde voor de Rechtbank Midden-Nederland (Rb. Midden-Nederland, 12 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:965). In de vorige editie kwam de kwestie aan de orde of een particulier (de verweerder in de casus) die een strook grond van de provincie Flevoland in gebruik had genomen door die bij zijn tuin te trekken, door verjaring rechthebbende tot die grond was geworden. Na te zijn ingegaan op het verschil tussen verkrijgende (acquisitieve) en extinctieve verjaring, alsmede het verschil tussen bezit en houderschap kwamen we bij de overweging van de rechtbank:

‘2.9. De rechtbank overweegt dat de tuin aan een drukke toegangsweg ligt, zodat de daden volledig in het zicht van de provincie zijn verricht. Door de afbakening en het gebruik als tuin, heeft [verweerder] de provincie in voldoende mate belet om haar eigen recht van bezit uit te oefenen. De daden zijn dan ook voldoende openbaar en niet-dubbelzinnig om te kunnen gelden als bezitsdaden. Anders dan de provincie stelt, brengt de omstandigheid dat de tussentijds geplante hagen de eerste jaren nog niet volledig ondoordringbaar zijn geweest niet mee dat het bezit van [verweerder] is onderbroken. Dat de verjaring anderszins is onderbroken of gestuit, is niet gesteld. De rechtbank oordeelt dan ook dat [verweerder] vanaf 1992 bezitter is geweest van de strook. Dat betekent dat de verjaring is voltooid, of nu de verjaringstermijn geldt van 10 jaar (voor de bezitter die te goeder trouw is, zie artikel 3:99 BW) of van 20 jaar (voor de bezitter die niet te goeder trouw is, zie artikel 3:105 en 3:306 BW).
2.10. De slotsom is dat [verweerder] door verjaring eigenaar is geworden van de strook. De rechtbank zal de door de provincie primair gevorderde verklaring voor recht dan ook afwijzen, evenals de ontruimingsvordering.’ [Curs. Red]

Anders dan wellicht verwacht, was de kous daarmee nog niet af. De provincie had nog een ander ijzer in het vuur. De provincie stelt dat de particulier door de grond in bezit te nemen een onrechtmatige daad jegens haar zou hebben verricht. Omdat het onrechtmatigheidsvraagstuk geen alledaagse kwestie is voor de notarieel adviseur, ook nu weer wat achtergrondinformatie.

De definitie van een onrechtmatige daad staat in art. 6:162 BW:

‘1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.’

Van belang is ook art. 6:163 BW:

‘Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.’

Uit deze twee wetsartikelen herleiden we een vijftal elementen:

1. Onrechtmatige daad
Hoewel de term daad wellicht anders impliceert, maakt de wettekst duidelijk dat ook ‘iets niet doen’ een onrechtmatige daad kan opleveren. De tekst laat er ook geen twijfel over bestaan dat het overtreden van een ongeschreven regel van het privaatrecht onrechtmatig kan zijn, denk aan onbehoorlijke concurrentie of het verschaffen van misleidende informatie.

Voor onze casus is van belang dat inbreuk maken op een recht van een ander onrechtmatig kan zijn. Zo’n recht is – uiteraard – ook het eigendomsrecht (van de provincie op het stukje grond). Eigendom is immers het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben, en betekent onder meer dat de eigenaar van een zaak deze in beginsel met uitsluiting van ieder ander kan gebruiken, art. 5:1 BW.

2. Toerekenbaarheid van die daad aan de dader waardoor sprake is van een fout
Uit de tekst van de wet volgt dat sprake moet zijn van schuld die voor rekening komt van degene die de ‘daad’ verricht heeft.

3. Schade
Zonder schade – enige vorm van geleden nadeel – geen aansprakelijkheid. Daarmee is overigens niet gezegd dat alle schade voor vergoeding in aanmerking komt, zie art. 6:95 e.v. BW over de vergoedbare schade.

4. Een causaal verband tussen daad en schade
De schade moet een gevolg zijn van de onrechtmatige daad.

5. Het relativiteitsbeginsel.
Een vaag en abstract beginsel waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat er een verband moet zijn tussen het doel van de overtreden norm en de schade.

Nu moet u weten dat het onrechtmatigheidsverweer van de provincie niet uit de lucht kwam vallen. Een paar jaar geleden oordeelde de Hoge Raad (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309) over de samenhang tussen eigendomsverkrijging door een bezitter te kwader (althans niet te goeder) trouw als gevolg van extinctieve verjaring en onrechtmatigheid:

‘3.7.3 Die keuze van de wetgever laat evenwel onverlet dat de [bezitter die na extinctieve verjaring rechthebbende is geworden] bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW.
Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig. Dat brengt mee dat deze laatste, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt. Daaraan staan, […] het stelsel van de wet en in het bijzonder de door art. 3:105 BW teweeggebrachte eigendomsverkrijging, niet in de weg.’ [Curs. Red]

En, zo vervolgt de Hoge Raad, als sprake is van onrechtmatigheid ligt het best voor de hand om de bezitter/nieuwe rechthebbende (in onze zaak de particulier) als vorm van schadevergoeding te veroordelen om de wederrechtelijk in bezit genomen zaak (de strook grond) aan de benadeelde/voormalig rechthebbende (de provincie) terug in eigendom over te dragen, zie art. 6:103 BW.

Terug naar onze zaak voor de Rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank volgt de provincie in die zin dat als een persoon een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, daarmee onrechtmatig wordt gehandeld tegenover die eigenaar. Vereist is dan wel dat de inbezitnemer wist dat een ander eigenaar was. En, zo de rechtbank, het enkele feit dat je wellicht niet te goeder trouw bent als bedoeld in artikel 3:118 BW, wil nog niet zeggen dat daarmee vaststaat dat je wist dat een ander eigenaar was. Het is aan de provincie om te bewijzen dat de particulier wist dat de provincie eigenaar was van de strook grond. In dat kader voert de provincie aan dat de particulier in 1992 en 1996 de kadastrale gegevens heeft geraadpleegd en dus moest hebben geweten dat een ander eigenaar was de strook. Dat is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht:

‘2.13. […] Zoals overwogen onder 2.7. liep de tuin van het perceel van [verweerder] in 1992 door tot aan het schaaldelen hek, dat enkele meters op het perceel van de provincie stond. Als op [verweerder] onder die omstandigheden al een verplichting rustte om te controleren of die precies op de kadastrale grens was geplaatst, ging die verplichting niet verder dan een eenvoudige raadpleging van de kadastrale gegevens. [verweerder] hoefde dus niet aan de slag te gaan met meetinstrumenten, ook niet toen hij het schaaldelen hek ging vervangen. Het betoog van de provincie kan hooguit slagen als de door [verweerder] geraadpleegde kadastrale gegevens zó duidelijk waren dat hij reeds bij zo een eenvoudige raadpleging moet hebben gezien dat het schaaldelen hek op het perceel van de provincie stond.’ [Curs. Red]

En zo duidelijk waren die gegevens niet volgens de rechtbank:

‘2.14. […] De tekeningen zijn bepaald onduidelijk over de twee belangrijkste oriëntatiepunten voor de bepaling van de kadastrale grens: het fietspad en de grensafscheidingen tussen de buurpercelen en het perceel van de provincie. Uit de kadastrale tekening valt niet (althans niet eenvoudig) op te maken of het perceel van [verweerder] nu ophoudt bij het fietspad of bij de beheerstrook. Op de kadastrale tekening is zichtbaar dat de percelen van [verweerder] en zijn buurman van [adres] meer richting de [straat] liggen dan de andere percelen. Het meest gedetailleerde stuk is nog een door [verweerder] overgelegde plattegrond van het kadaster uit 1969, waarop bepaalde afstanden tot de gevel van de woning van [verweerder] zijn aangetekend. Volgens [verweerder] blijkt daaruit dat zijn persceel doorliep tot aan het fietspad. Volgens de provincie blijkt dat juist niet uit de plattegrond, en kan op grond van de plattegrond net zo goed worden verondersteld dat de tuin tot aan de groene beheerstrook liep. De rechtbank concludeert dan ook dat de kadastrale gegevens onvoldoende duidelijk waren.’ [Curs. Red]

Het slotoordeel verbaast dan ook niet: de inbezitneming door de particulier was geen onrechtmatige daad en van teruglevering is dan ook geen sprake.

Oja, voor zover u het zich nog afvroeg, ook de schadevergoedingsactie uit hoofde van een eventuele onrechtmatige daad kan verjaren. In de zojuist genoemde zaak uit 2017 overwoog de Hoge Raad:

‘3.7.4. […] (b) […] Voor zover de schade waarvan de benadeelde vergoeding wenst, bestaat in het verlies van zijn eigendom, neemt de vijfjarige verjaringstermijn ingevolge die bepaling een aanvang op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en met de daarvoor aansprakelijke persoon), en is de verjaring in elk geval voltooid twintig jaar na de voltooiing van de verjaring van art. 3:314 lid 2 BW, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade – het verlies van de eigendom – is veroorzaakt, alles onverminderd eventuele stuiting van die verjaring.’ [Curs. Red]

De boodschap bij dit alles is helder: zelfs als eigendom van grond na extinctieve verjaring verloren is gegaan, kan via de ‘achterdeur’ van de onrechtmatige daad alsnog worden getracht deze grond – bij wege van schadevergoeding – terug te krijgen van de nieuwe rechthebbende/bezitter te kwader trouw. De notariële practicus weet genoeg en zal er daar waar nodig op wijzen dat het niet raadzaam is als men zich al te snel neerlegt bij een eigendomsverlies als gevolg van extinctieve verjaring.


Categorieën: Rechtspraak