Is een boom een boom?

Conflicten tussen buren kunnen snel de pan uit rijzen en zijn dan ook een welkome inspiratiebron voor diverse ‘onderhoudende’ tv-programma’s. Ook in de notariële praktijk is de burenruzie een bekend fenomeen. In dat kader viel onlangs het oog van de redactie op een uitspraak van de Rechtbank Limburg (11 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6987) over boom-gerelateerde ‘erfgrenskwesties’ die uiteindelijk leidde naar een uitspraak uit 2016 van het Hof Den Bosch. In de zaak kwam aan bod of een rij coniferen een heg/haag vormde, dan wel of sprake was van een rij bomen.

What’s in a name zult u wellicht denken, maar de kwalificatie is niet zonder belang. Voor dit goederenrechtelijke vraagstuk pakken we de tekst van art. 5:42 BW erbij:

‘1. Het is niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is.
2. De in lid 1 bedoelde afstand bedraagt voor bomen twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de heesters en heggen een halve meter, tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten.
3. De nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven.
4. Ter zake van een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand is slechts vergoeding verschuldigd van de schade, ontstaan na het tijdstip waartegen tot opheffing van die toestand is aangemaand.’ (Curs. red)

Duidelijk, een boom hoort op minstens 2 meter van de grens te staan. Voor een heg geldt een afstand van 50 centimeter. In de praktijk blijkt echter dat een substantieel deel van de gemeenten gebruik heeft maakt van de bevoegdheid van lid 2 en in een verordening anders heeft bepaald.

En voor de goede orde, uit lid 3 blijkt duidelijk dat als er een scheidsmuur op de erfgrens staat, een boom of heg ook dichter op de erfgrens mag staan. Voorwaarde is dan wel dat de boom of de heg niet boven de scheidsmuur uitkomt.

Juridisch is een en ander een beetje een ‘slangenkuil’. Dat komt onder meer omdat enerzijds het recht tot het vorderen van opheffing en dus verwijdering van de te dicht bij de erfgrens geplante boom kan verjaren. Anderzijds kan door verjaring nu net ook een erfdienstbaarheid zijn ontstaan tot het dulden van de beplantingen die te dicht op de grens staan. Voor de verjaringstermijnen combineren we Boek 3 BW met Boek 5 BW. Als je art. 3:306 BW en 3:314 BW leest, blijkt dat de verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot opheffing 20 jaar is. Deze termijn loopt vanaf het moment dat opheffing van de onrechtmatige toestand kan worden gevorderd.

Uit art. 5:72 BW volgt dat een erfdienstbaarheid door verjaring kan ontstaan. Voor de bezitter te goeder trouw geldt een termijn van tien jaar onafgebroken bezit, art. 3:99 BW. Het is echter niet eenvoudig om het ‘bezit’ van een erfdienstbaarheid te bewijzen.

Over dit juridisch complexe vraagstuk lezen we in Asser 3-IV, Algemeen goederenrecht, nr. 540:

‘Zou B hebben toegestaan of gedoogd dat A van het pad gebruikmaakte, dan kan geen sprake ervan zijn dat A bezitter was van de door hem gestelde erfdienstbaarheid. A kan in dit geval de gestelde erfdienstbaarheid dus niet door verjaring hebben verkregen. Daarvoor is vereist dat hij bezitter van zodanige erfdienstbaarheid was. Dit is ook het uitgangspunt van HR 3 mei 1996, NJ 1996/501 (Huizing/Stichting Andere Woonvormen) waarin de Hoge Raad overwoog dat de enkele omstandigheid dat de bomen waarover het in de procedure ging, reeds sedert mensenheugenis ter plaatse waren niet voldoende is voor het door verjaring ontstaan van een erfdienstbaarheid tot het hebben van bomen dicht bij de erfscheiding. Daartoe is, naar het oordeel van de Hoge Raad, vereist bezit te goeder trouw van zodanige erfdienstbaarheid gedurende de voor verkrijging door verjaring benodigde termijn.’ (Curs. red)

Degene die zich op de verkrijging van een erfdienstbaarheid door verjaring beroept, moet dus (te goeder trouw) gedacht hebben dat hij de bezitter was van de erfdienstbaarheid.

Als u bovendien weet dat het vorderen van verwijdering onder omstandigheden misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) kan opleveren, dat een rechter de bevoegdheid heeft om zo’n vordering af te wijzen, dat die rechter in plaats van verwijdering een schadevergoeding in geld kan toekennen en als u dit alles combineert met het gegeven dat op grond van een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand kan zijn toegelaten, dan voelt u wel aan dat een boom/haag-grensgeschil geen zwart-wit antwoorden kent.

Goed, terug naar onze casus en de Rechtbank Limburg. Partijen verschillen van mening over de vraag of een rij coniferen een heg/haag vormt en de coniferen dus tot 50 centimeter van de erfgrens mogen staan, dan wel of sprake was van een rijtje ‘losse’ bomen. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie uit 2016 van het Hof Den Bosch (27 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5659). De overwegingen van dit hof spreken voor zich:

‘3.9.1. Bij de beantwoording van de vraag of de coniferen in dit geval een ter plaatse toelaatbare heg vormen stelt het hof het volgende voorop.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat iedere conifeer een afzonderlijke boom is. Er is geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken in de gevallen waarin men een conifeer laat groeien zoals dat in de natuurlijke aard van een conifeer besloten ligt – in het algemeen rond groeiend en beneden breder dan boven – zonder dat door (ingrijpende) snoeiwerkzaamheden beperkingen in hoogte en breedte zijn aangebracht. […]’ (Curs. red)

Als hoofdregel is een boom dus een boom, maar:

‘Er kan echter, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken waardoor een rij van coniferen als heg zou kunnen worden beschouwd, met als gevolg dat de in artikel 5:42 BW bedoelde afstand tot de grenslijn waarbinnen het verboden is om de betreffende coniferen te hebben niet twee meter maar een halve meter bedraagt. Het hof betrekt hierbij dat het een feit van algemene bekendheid is dat (bepaalde soorten) coniferen veelvuldig als ‘haagconiferen’ te koop worden aangeboden.’ (Curs. red)

En die omstandigheden zijn, onder meer:

In het geval (i) dicht(er dan normaal) op elkaar geplaatste coniferen (ii) deel uitmaken van een groter geheel aan coniferen, welk geheel (iii) vanaf het eerste snoeimoment zodanig wordt gesnoeid dat op den duur de afzonderlijke coniferen hun individuele karakter verliezen, kan vanaf het begin sprake zijn van een heg. Daarvoor is noodzakelijk dat de coniferen die op den duur de heg moeten gaan vormen (iv) qua hoogte op de juiste wijze worden gesnoeid (zie de hierna volgende rechtsoverweging). Indien niet wordt voldaan aan deze voorwaarden dan geldt dat de coniferen die in uitgangspunt bomen waren, bomen zijn gebleven. (Curs. red)

Maar als dan al sprake is van heg, geeft dat nog geen vrijbrief tot ‘wildgroei’. De ‘snoei-instructie’ van het Hof Den Bosch luidt:

‘3.9.2. In verband met de beantwoording van de vraag welke beperkingen aan de hoogte van de coniferen kunnen worden gesteld wil er sprake kunnen zijn van een heg, overweegt het hof het volgende. Artikel 5:49 BW staat in het algemeen een scheidsmuur van twee meter hoogte toe en artikel 5:42 lid 3 BW laat heggen tot de hoogte van de scheidsmuur toe. Gelet hierop acht het hof in het algemeen een heg van twee meter hoogte toelaatbaar. Ook een afweging van de voor- en nadelen die aan een heg van een dergelijke hoogte kleven, zoals enerzijds onder meer privacybescherming en voordelen van esthetische aard en anderzijds onder meer de mogelijke vermindering van uitzicht en licht alsmede mogelijke overlast door takken of naalden vanuit de heg, leidt er toe dat het hof in het algemeen een hoogte van twee meter voor een heg toelaatbaar acht.’ (Curs. red)

Akkoord, een boom is een boom, maar soms wordt een reeks aaneengesloten bomen een heg en dan mag het geheel op 50 centimeter van de erfgrens staan, zij het dat men dan wel de hoogtegrens van in beginsel 2 meter in acht moet nemen.

Na het voorgaande verbaast het niet dat het de rechter in onze Limburgse casus bijkans duizelde van alle nuances die bij een boom-haaggeschil kunnen spelen. Ook is duidelijk dat bij zo’n geschil bewijs van een stelling een tamelijk complex vraagstuk is. De rechter komt dan ook niet met een einduitspraak maar schuift die hete aardappel een beetje voor zich uit. Hij houdt de zaak voorlopig aan. De buren krijgen de opdracht in afwachting van een volgende zitting de personalia door te geven van de diverse getuigen. Deze zullen worden oproepen om in persoon voor de rechter te verschijnen zodat de rechter de waarde van de verklaringen goed kan inschatten alvorens hij tot een zorgvuldig gefundeerd oordeel komt.

Tot slot nog dit; van een geheel andere orde is de vraag of een erfafscheiding zelf uit (een reeks) bomen of een haag/heg kan bestaan. We volstaan met de opmerking dat in het burenrecht een muur iedere ondoorzichtige afsluiting is van steen, hout, of een andere daartoe geschikte stof, art. 5:43 BW. Maar ja, vallen heggen of hagen daar ook onder? Uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 193 (nr. 7)) blijkt dat men met het opnemen van de definitie in ieder geval niet heeft beoogd om de rechter ‘onnodig aan banden te leggen’. Stolker (T&C BW, art. 5:43) stelt dat ook als deze in de winter en zomer ondoorzichtig zijn, heggen en hagen toch niet onder de definitie van art. 5:43 BW lijken te vallen, maar merkt daarbij tevens op dat in de literatuur ook wel anders wordt bepleit.

Tja, een boom is een boom maar soms niet en dan is het toch een heg/haag. En een heg/haag is geen muur, maar soms toch weer wel. Pfff, knap degene die dit genuanceerde verhaal duidelijk en helder kan overbrengen aan ruziënde buren. Het beste advies lijkt zoals altijd dergelijke ruzies niet te laten escaleren, want als de rechter zich erover moet buigen, kan het oordeel alle kanten op gaan.


Categorieën: Onroerend Goedrecht, Rechtspraak