De ene garage is de andere niet

Vandaag staat een garagebox in het middelpunt van de belangstelling in het kader van partner-alimentair vraagstuk. De zaak waarin het Hof Den Bosch op 26 januari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:245) uitspraak deed, draaide om de vraag of door niet in het huis maar in de garage van een nieuwe partner te gaan ‘wonen’, al dan niet sprake was van samenleven als bedoeld in art. 1:160 BW.

Zoals gebruikelijk weer eerst wat theorie. Na een echtscheiding kan een rechter op verzoek van een echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, aan deze en ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen, art. 1:157 lid 1 BW. Art. 1:158 BW biedt de (ex-)echtgenoten de mogelijkheid om in onderling overleg een partneralimentatie-overeenkomst aan te gaan. Het spreekt voor zich dat een en ander ook geldt voor het einde van een geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden, zie art. 1:80d lid 2 BW en de (rechterlijke) ontbinding van een dergelijk partnerschap, art. 1:80e lid 1 BW.

Voor een door de rechter of (ex-)echtgenoten zelf vastgestelde alimentatie geldt dat deze, behoudens andersluidend beding, in beginsel eindigt wanneer de tot alimentatie gerechtigde opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, art. 1:160 BW. Zodra vaststaat dat sprake is van een hertrouwen of bedoeld samenleven, eindigt de alimentatieverplichting van rechtswege en deze herleeft niet. Ook niet als de nieuwe relatie van de (ex-)alimentatiegerechtigde zou eindigen.

De criteria waaraan moet zijn voldaan, wil sprake zijn van ‘samenleven als ware men gehuwd’, zijn gevormd door een continue stroom aan jurisprudentie. In Van Mourik/Nuytinck (Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht) lezen we in nummer 155:

‘Naast het vereiste van samenwonen moet de samenleving in ieder geval het kenmerk dragen van een wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, van een verschaffing van het nodige, zoals in het geval van een huwelijk. Vereist is voorts dat de relatie op affectie is gebaseerd en een duurzaam karakter draagt.’

Als gemeld, ging de zaak voor het Hof Den Bosch over de vraag of men onder de werking van art. 1:160 BW uit komt, door niet in de woning van de nieuwe partner in te trekken, maar in diens garage. Kort enkele feiten. Man en vrouw zijn gescheiden. De man betaalt aan de vrouw partneralimentatie. De vrouw kreeg een nieuwe partner. Die nieuwe partner woonde bij zijn zoon. De vrouw is na verloop van tijd verhuisd naar de woning van de zoon van de nieuwe partner en heeft haar intrek genomen in de aangrenzende garage. Hoewel voor de werking van art. 1:160 BW niet relevant, zij vermeld dat ten tijde van de procedure tussen de man en vrouw de relatie van de vrouw met de nieuwe partner (al (weer)) is geëindigd, en ook de nieuwe dus de ex-partner is (geworden) van de vrouw. De man stelt dat de vrouw samenleeft als ware zij gehuwd. De vrouw stelt dat, omdat ze in de garage ‘woont’ geen sprake kan zijn van een dergelijk ‘samenleven’.

Het woord is aan het Hof Den Bosch:

‘7.12. Vaststaat dat de garage geen zelfstandige woning was, maar was verbonden met de woning. De garage kon door een inpandige verbinding worden betreden en gesteld noch gebleken is dat deze doorgang op een zodanige wijze was afgesloten dat hier zonder medewerking van de vrouw geen gebruik van kon worden gemaakt. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de doorgang tussen de garage en de woning steeds zonder enige belemmering beschikbaar was voor de vrouw en [ex-partner van de vrouw].

Vaststaat verder dat de vrouw – naar mag worden aangenomen dagelijks – de doucheruimte in de woning gebruikte alsmede de bijkeuken met de wasmachine en de droogtrommel. Ook hieruit leidt het hof af dat de vrouw vrijelijk toegang had tot de woning. […]’ (Curs. red)

Over het argument dat de vrouw niet in de woning kon samenleven omdat zij geen sleutel van de woning bezat, oordeelt het hof:

‘[…] Het feit dat de vrouw heeft verklaard dat niet [ex-partner van de vrouw] maar alleen de zoon van [ex-partner van de vrouw] de sleutel had van de garage, doet er niet aan af dat de vrouw vrij toegang had tot de door [ex-partner van de vrouw] gebruikte woning, en naar moet worden aangenomen [ex-partner van de vrouw] eveneens vrij toegang had tot de garage waarin de vrouw woonde.

Het hof is van oordeel dat een situatie waarbij partijen wonen in een en dezelfde woning, en tot alle ruimtes van die woning vrijelijk toegang hebben, en voorts voorzieningen als doucheruimte en bijkeuken met was- en droogfaciliteiten gemeenschappelijk gebruiken, gelijk te stellen is met een situatie van samenwoning.

Uit de verklaring van de vrouw volgt verder dat [ex-partner van de vrouw] twee keer per week samen met de vrouw de avondmaaltijd gebruikte en twee nachten per week bij haar sliep. In de vakanties gebeurde dit soms vaker.

Het hof leidt uit deze verklaringen in onderlinge samenhang beschouwd af dat er in het pand in de [adres 2] sprake was van een samenwoning van de vrouw en [ex-partner van de vrouw] en het hof is van oordeel dat hieraan niet afdoet dat partijen in dat pand de dag en de nacht niet steeds gemeenschappelijk in dezelfde ruimtes doorbrachten. Het hof neemt mede in aanmerking dat de vrouw heeft verklaard de relatie met [ex-partner van de vrouw] te hebben verbroken en naar haar huidige woning te zijn verhuisd omdat [ex-partner van de vrouw] teveel beslag legde op haar vrijheid. Dit maakt de verklaringen dat de onderlinge contacten beperkt waren tot twee gezamenlijke maaltijden per week en tot twee nachten per week niet aannemelijk.’ (Curs. red)

Er wordt dus, in de ogen van het hof, samengewoond. Nu dit feit vast staat, toetst het hof aan enkele andere van de art. 1:160 BW-criteria. Wederom het woord aan het hof:

7.13. Uit de verklaringen van de vrouw en [ex-partner van de vrouw] blijkt dat de garage door [ex-partner van de vrouw] en zijn zoon aan de vrouw ter beschikking is gesteld om haar goedkoop te laten wonen. Uit hetgeen [ex-partner van de vrouw] heeft verklaard, begrijpt het hof dat deze garage kennelijk al gedeeltelijk voor bewoning geschikt was gemaakt. Het hof begrijpt voorts uit de verklaringen van [ex-partner van de vrouw] en de vrouw dat de vrouw in de [adres 2] kon wonen op voorwaarden die elders voor haar niet mogelijk waren.

Verder blijkt dat de vrouw de doucheruimte en de bijkeuken met de daar [in de woning, toev. red.] aanwezige was- en droogapparatuur gebruikte, naar moet worden aangenomen zonder hiervoor enige vergoeding te betalen.

Uit de verklaringen van zowel de vrouw als [ex-partner van de vrouw] blijkt verder dat de vrouw op twee of meer dagen per week de avondmaaltijd verzorgde. Niet gesteld of gebleken is dat [ex-partner van de vrouw] hier enigerlei vergoeding voor betaalde aan de vrouw, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouw deze maaltijden bekostigde.

Ook blijkt uit de verklaring van de vrouw dat [ex-partner van de vrouw] twee of meer keren per week de nacht bij de vrouw doorbracht. Het moet ervoor worden gehouden dat de vrouw bij die gelegenheden voor het beddengoed en de handdoeken zorgde en voor het schoonhouden van de slaapruimte, nu niet anders is gesteld of gebleken.’ (Curs. red)

Dit leidt tot de volgende slotsom:

‘7.15. Op grond van al het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de vrouw niet is geslaagd in het van haar verlangde tegenbewijs. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat de vrouw en [ex-partner van de vrouw] hebben samen gewoond als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat het in het huidige tijdsgewricht, waarin echtelieden ook niet meer jegens elkaar verplicht zijn tot samenwoning, in het algemeen zeer wel mogelijk is dat personen die een duurzame, affectieve relatie met elkaar onderhouden en die samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, kiezen voor een invulling van hun dagelijkse leven waarbij zij niet iedere dag en nacht met elkaar doorbrengen en waarbij zij niet alle financiële middelen met elkaar delen.’ (Curs. red)

Kortom, de alimentatieplicht van de man is geëindigd.


Tags: Samenwonen
Categorieën: Familievermogensrecht, Onroerend Goedrecht