De driemaandstermijn van art. 4:72, 4:73 en 4:75 BW (II)

Net als in het vorige artikel besteden we ook deze keer weer aandacht aan de legitieme portie. Zoals gebruikelijk eerst een korte samenvatting van hetgeen voorafging.

We begonnen met een uiteenzetting over de legitieme als vordering in geld. Legitimaris zijn de afstammelingen van de overledene die uit eigen hoofde (tenzij plaatsvervulling bij vooroverlijden of onwaardigheid) tot diens nalatenschap worden geroepen. Vervolgens kwam de omvang van de legitieme portie aan bod. Die bereken je door de legitieme breuk los te laten op de legitimaire massa. Van de legitieme portie trekken we af de waarde van de door de erflater aan de legitimaris gedane giften. Op de aldus berekende legitimaire aanspraak brengen we in mindering hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt of als erfgenaam/legataris had kunnen verkrijgen, maar is verworpen. Wat dan resteert, is de uiteindelijke vordering van de legitimaris. Die vordering is in beginsel 6 maanden na het overlijden opeisbaar, maar onder omstandigheden (de wettelijke verdeling is van kracht, er is sprake van een niet-opeisbaarheidsclausule) moet de legitimaris langer wachten.

Daarna werd gefocust op de verwerping door de legitimaris van hetgeen hij – als erfgenaam of legataris – had kunnen verkrijgen. We constateerden dat het zonet beschreven in mindering brengen van de verwerping niet altijd plaatsvindt. Een verkrijging kan zonder korting worden verworpen als deze inferieur is als bedoeld in art. 4:72 en 4:73 BW. Vereenvoudigd samengevat, is dat het geval als sprake is van een verkrijging onder een voorwaarde, een last of een bewind én binnen drie maanden na het overlijden is verworpen. Gelukkig voor de legitimaris kan die driemaandstermijn krachtens art. 4:77 BW op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd (zelfs nadat deze is verlopen). Uit de Handleiding Erfrechtprocedures Kantonrechter blijkt dat de gedachte is om daar ruimhartig mee te werk te gaan.

Gewapend met die kennis bekeken we een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2024:434) waar sprake was van zo’n verlengingsverzoek. De legitimarissen verzochten verlenging van de termijn zodat zij de afweging kunnen maken of zij de aan hen toegekende legaten verwerpen en gelijktijdig de legitieme portie inroepen. De kantonrechter wijst het verzoek af omdat duidelijk was dat de legaten al waren aanvaard. In dat kader wezen we er op dat, anders dan bij het erfgenaamschap, voor de aanvaarding van een legaat geen expliciete handeling of gedraging vereist is en dat dit kan betekenen dat een legataris (sneller) heeft aanvaard en dan ook de verlengingsmogelijkheid heeft verspeeld.

Daarmee zijn we aanbeland bij de uitspraak die we vandaag bespreken. Ook deze zaak draait om de verlenging van de driemaandtermijn, zij het nu die van artikel 4:75 BW. Het geheel speelde bij de rechtbank Den Haag (7 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2367).

Kort enkele feiten. Erflaatster is in 2021 overleden en laat dochters A en B achter. In haar testament heeft erflaatster dochter A tot enig erfgenaam benoemd en aan dochter B een bedrag ter grootte van haar legitieme portie gelegateerd. Ook is een bewind ingesteld over de verkrijging van B. Dochter A is tot executeur en bewindvoerder benoemd, en als A ontbreekt, wordt C benoemd (een dochter van B (en dus kleindochter van erflaatster)). Als gemeld, maakt het bewind het legaat inferieur, art. 4:73 lid 1 aanhef en a BW. Althans in beginsel, zo blijkt als we art. 4:75 BW erbij pakken:

‘1. De waarde van hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht onder bewind kan verkrijgen, komt ook bij verwerping in mindering van zijn legitieme portie, indien het bewind is ingesteld op de in de uiterste wil vermelde grond:
a. dat de legitimaris ongeschikt of onmachtig is in het beheer te voorzien, of
b. dat zonder bewind de goederen hoofdzakelijk diens schuldeisers zouden ten goede komen.
2. De legitimaris die de nalatenschap of het legaat heeft aanvaard is gedurende drie maanden na het overlijden van de erflater bevoegd de juistheid van de opgegeven grond te betwisten; alsdan moet degene die haar staande houdt haar bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch rechtvaardigt dit de door de erflater vastgestelde regels van het bewind niet, dan kan de rechter die regels wijzigen of zelfs ten dele opheffen.
3. Is vermelde grond onjuist, dan kan de legitimaris binnen een maand nadat de uitspraak waarbij de onjuistheid is vastgesteld, in kracht van gewijsde is gegaan, schriftelijk aan de bewindvoerder verklaren dat hij zijn legitieme in geld wenst te ontvangen. De bewindvoerder maakt daartoe het onder bewind gestelde met overeenkomstige toepassing van artikel 147 voor zover nodig te gelde; het restant van de goederen keert hij uit aan degenen aan wie deze zouden zijn toegekomen indien de legitimaris de nalatenschap of het legaat had verworpen.
4. Staan goederen onder bewind waarvan de waarde krachtens artikel 70 in mindering van de legitieme komt en vermeldt de akte waarbij het bewind is ingesteld een grond als bedoeld in lid 1, dan zijn de leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing. Vermeldt de akte niet een grond als bedoeld in lid 1, dan kan de legitimaris aanspraak maken op ontvangst van zijn legitieme in geld op de wijze als voorzien in lid 3, met dien verstande dat de aldaar bedoelde verklaring binnen drie maanden na het overlijden van de erflater moet worden afgelegd.
5. Bij de vaststelling van de op de legitieme portie toe te rekenen waarde wordt met het bewind slechts rekening gehouden, indien de vermelde grond onjuist is verklaard doch de legitimaris geen gebruik maakt van de hem in lid 3, eerste zin, verleende bevoegdheid.’ (curs. red.)

Krachtens lid 1 maakt het vermelden van de grond van letter a of b in het testament als reden waarom het bewind is ingesteld, de verkrijging toch niet inferieur. Gelukkig voor de legitimaris moet de grond dan wel kloppen, oftewel er moet daadwerkelijk sprake zijn van bijvoorbeeld ongeschiktheid/onmachtigheid om in het beheer te voorzien. Niet bedoeld is dat de legitimaris zelf geschikt/bij machte moet zijn om de goederen te beheren. Nee, als hij daartoe niet zelf in staat is, moet hij wel bij machte zijn om in dat beheer te voorzien. Bijvoorbeeld, door zo nodig een ander – meer capabel – persoon daarvoor aan te zoeken/stellen. Het tweede lid biedt de legitimaris de mogelijkheid om de juistheid van de grond te betwisten. Daarvoor moet dan wel eerst de verkrijging zijn aanvaard. Tevens moet de juistheid van de grond binnen drie maanden worden aangevochten. Ook hier geldt de verlengingsregel van art. 4:77 BW. Het is vervolgens aan degene die de juistheid van de grond staande houdt (bijvoorbeeld de bewindvoerder) om de juistheid daarvan aan te tonen. Als de rechter constateert dat de grond onjuist was, heeft de legitimaris één (niet-verlengbare) maand de tijd om te verklaren dat hij zijn legitieme wenst te ontvangen, zo lid 3. We herkennen een ingebouwde Cautio Socini die er voor zorgt dat als de onder bewind gestelde verkrijging ‘meer/groter’ was dan de legitieme, niet meer wordt verkregen dan de kleinere legitieme.

In onze casus doet B nadat de driemaandstermijn was verstreken, een verzoek tot verlenging. De daarvoor vereiste bijzondere omstandigheid is volgens B gelegen in het feit dat onder meer covid-beperkingen ertoe hebben geleid dat pas na het verstrijken van de driemaandstermijn overleg heeft plaatsgevonden tussen A, B, C en een notaris. Bovendien hebben A, B en C toen afgesproken geen beroep te zullen doen op (het verstrijken van) de driemaandstermijn. Ook die afspraak dient volgens B te worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:77 BW die verlenging van de termijn van artikel 4:75 lid 2 BW rechtvaardigt.

De kantonrechter gaat hier niet in mee:

‘4.2. […]. Het moment waarop de in artikel 4:75 lid 2 BW vermelde termijn afloopt staat niet ter vrije bepaling van partijen, maar is uitsluitend ter beoordeling van de kantonrechter. Dat een dergelijke afspraak tussen partijen zou zijn gemaakt is op zichzelf niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:77 BW. Daar komt bij dat de driemaandentermijn op de datum van de bespreking bij de notaris is verstreken. [B] heeft aangevoerd dat deze bespreking pas […] heeft kunnen plaatsvinden wegens covid beperkingen en reizen van de executeur. Dat laat echter onverlet dat het op de weg van [B] had gelegen om tijdig – dat wil zeggen binnen drie maanden na het overlijden van erflaatster – een procedure bij de rechtbank aanhangig te maken om de juistheid van de opgegeven gronden voor het bewind te betwisten, zodat haar rechten niet worden verspeeld. Die procedure had eventueel nog aangehouden kunnen worden in afwachting van de uitkomst van de bespreking. Dat [B] dit niet heeft gedaan, kan niet aan [A] en [C] worden tegengeworpen. Voor het overige heeft [B] geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie moeten leiden dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die verlenging van de in artikel 4:75 lid 2 BW vermelde termijn rechtvaardigen.’ (curs. red.)

Duidelijk, de in de Handleiding ‘beloofde’ ruimhartigheid bij het verlengen van de termijn, kan in de praktijk tegenvallen. Ook is helder dat de termijn weliswaar verlengbaar is, maar dat daaruit niet mag worden afgeleid dat men in voorkomende gevallen zelf afspraken kan maken over die termijn. Dat is voorbehouden aan de rechter. Tja, het blijft zaak ‘scherp’ te zijn bij advisering in legitieme-kwesties.


Categorieën: Rechtspraak