In de notariële praktijk denken we bij de gevolgen van het ontbreken van een (met een verrichte rechtshandeling corresponderende) wil snel aan testeren. De notaris moet er op toezien dat de testateur wils- (feitelijk) bekwaam is. Inherent aan de menselijke natuur is dat bij discussie tussen erfgenamen over het vermeende ontbreken van de wil het uiteindelijk de rechter is die hierover beslist. In de e-clerk van oktober 2025 hebben we het ‘feitelijk- wilsbekwaamheidsvraagstuk’ aan een eerste, algemene blik onderworpen. In deze e-clerk een vervolg.
Zoals gebruikelijk, eerst weer een samenvatting van hetgeen vooraf ging. Tenzij de wet anders bepaalt, is iedere natuurlijke persoon bekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen. Uitzonderingen zijn onder curatele gestelden en minderjarigen:zij zijn handelingsonbekwaam. Daarnaast geldt dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Degene die handelt, moet het willen (intern) en dat naar buiten toe (extern) kenbaar maken. Een citaat uit Asser/Sieburgh (6-III 2022/119) liet zien dat een (interne) wil zonder (externe) uiting in het recht geen betekenis heeft. Lastig is het als de geopenbaarde verklaring afwijkt van wat degene die de verklaring aflegt ‘eigenlijk’ wil. Als voorbeelden werden genoemd de vergissing, verspreking, verschrijving, misverstand etc. Degene die zich op het bestaan van een dergelijke discrepantie beroept, zal dit moeten bewijzen. Een andere grond voor een wilsprobleem is de geestelijke stoornis die in art. 3:34 lid 1 BW expliciet is geregeld.
Uit het samenspel van art. 3:33 BW en 3:34 BW volgt dat niet alleen de geestesstoornis moet worden bewezen, maar ook de invloed daarvan. Als de handeling nadelig was, wordt vermoed dat dit het geval was. Het gevolg van verschil tussen de (extern) geopenbaarde verklaring en de daadwerkelijke (interne) wil is dat de rechtshandeling niet c.q. niet onaantastbaar tot stand komt. De wederpartij van de persoon die handelde onder invloed van de geestesstoornis wordt beschermd door de artt. 3:35 en 3:36 BW. Althans, als hij – verkort samengevat – gezien de omstandigheden redelijkerwijs de betekenis mocht toekennen aan de rechtshandeling zoals hij deed.
We hebben er ook op gewezen dit ‘wilsprobleem’ een ander is dan hetgeen speelt bij rechtshandelingen waarbij sprake is van de klassieke ‘wilsgebreken’ van ons Burgerlijk Wetboek: bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling. Ook dan is de rechtshandeling vernietigbaar.
Het verschil tussen deze vier klassieke wilsgebreken en de 3:33-34 BW- categorie is dat bij die laatste wil en verklaring niet met elkaar samenvallen en bij de vier klassieke wilsgebreken wil en verklaring weliswaar overeenstemmen, maar dat die wil op gebrekkige wijze werd gevormd. Voor beide categorieën geldt met vernietigbaarheid wel dezelfde sanctie.
Hoe een en ander in de praktijk kan uitpakken, bekijken we in deze e-clerk aan de hand van een uitspraak van het hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:1383). Daarvoor is het misschien goed om nog even wat andere theorie op te frissen. Zoals u wel weet, is voor de overdracht van een goed een levering vereist die geschiedt krachtens een geldige titel die wordt verricht door iemand die bevoegd is over het goed te beschikken, art. 3:84 lid 1 BW. In deze e-clerk focussen we op de titel. Dat een geldige titel een essentieel element is, blijkt wel als we weten dat er zonder geldige titel geen overdracht plaatsvindt. Voor een onroerend goedcasus betekent dit dat als de koopovereenkomst niet geldig is, de verkoper eigenaar is gebleven. Zelfs als de levering (bij de notaris) al heeft plaatsgevonden. Dit is weer een gevolg van het goederenrechtelijk effect/de zakelijke werking van het causale stelsel zoals we dat in Nederland kennen.
Een gebrek in de titel brengt dus de (koop)overeenkomst en daarmee alle daarop voortbouwende handelingen in gevaar. Titelgebreken kunnen grofweg in twee categorieën worden verdeeld. De titel/koopovereenkomst is nooit geldig geweest. Denk daarbij aan een nietige overeenkomst, bijvoorbeeld omdat die in strijd was met de wet of de goede zeden, art. 3:40 BW. Een andere nietigheidsgrond is het niet voldoen aan een vormvereiste zoals het schriftelijkheidsvereiste bij de consumentenkoop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak, art. 7:2 lid 1 BW.
Een ander titelgebrek treedt op als de titel/koopovereenkomst aanvankelijk geldig was, maar later is vernietigd. En het onaangename van een vernietiging is dat deze terugwerkende kracht heeft, art. 3:53 lid 1 BW. Hoewel de betreffende rechtshandeling geldig is en blijft totdat deze werd vernietigd, wordt de rechtshandeling/koopovereenkomst na de vernietiging ‘geacht’ van begin af aan nietig te zijn geweest.
Kortom, vernietiging van een koopovereenkomst of de nietigheid daarvan hebben uiteindelijk hetzelfde effect: de eigendom van een overgedragen goed is niet overgegaan, de verkoper is nog steeds eigenaar.
Daarmee hebben we genoeg theorie behandeld en gaan we naar de casus bij het Bossche hof waarin A in juni 2020 een schriftelijke koopovereenkomst ondertekende waarbij hij zijn woning aan B verkocht voor € 110.000. De advocaat van A brengt twee ijzers in het vuur: enerzijds zouden de verklaring en wil van A niet overeenstemmen en anderzijds zou A zich hebben ‘vergist’. In juli 2020 schrijft de advocaat van A aan B:
‘Cliënt wilde deze overeenkomst helemaal niet, dus er is geen sprake van een (geldige) rechtshandeling en derhalve is er ook geen koopovereenkomst tot stand gekomen. Voor zover de wil er wel was, althans u daarop mocht vertrouwen -quod non-, is die overeenkomst tot stand gekomen onder een onjuiste voorstelling van zaken (dwaling), dan wel andere wilsgebreken, en wordt die overeenkomst wegens dwaling / wilsgebrek(en) middels deze vernietigd.’ (curs. red.)
De advocaat stelt allereerst dat er discrepantie was tussen de wil van A en de door hem afgelegde verklaring. Als gevolg daarvan – zo de advocaat – wordt de overeenkomst op grond van art. 4:34 lid 2 BW vernietigd. En voor zover B zou stellen dat hij op de verklaring van A mocht vertrouwen en daarmee de bescherming van art. 4:35 BW zou kunnen inroepen (zodat er geen vernietigbaarheid speelt wegens wilsdiscrepantie), brengt de advocaat de algemene wilsgebrekenregeling in stelling. Er zou – stelt de advocaat – zijn gedwaald of sprake zijn van een ander wilsgebrek hetgeen ook tot vernietigbaarheid van de koopovereenkomst leidt.
B laat er niet bij zitten, dagvaardt A en vordert dat A wordt veroordeeld tot betaling van € 11.000 omdat A is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. A wilde immers de woning niet leveren, en moet volgens B daarom de overeengekomen boete van 10% van de koopsom betalen. De kantonrechter wijst de vordering af. Hij oordeelt dat er bij A op het tijdstip van het tekenen van de koopovereenkomst sprake was van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW. A heeft de koopovereenkomst dus terecht vernietigd.
B laat het er niet bij zitten en gaat in hoger beroep. Ook het Hof Den Bosch komt tot de conclusie dat A de koopovereenkomst heeft getekend onder invloed van een geestelijke stoornis. Volgens het hof is daarvoor onder meer relevant dat A aangeeft dat B op de ochtend in juni 2020 bij hem thuis langskwam met de overeenkomst. A geeft aan dat hij toen net uit bed kwam en suf was van de medicatie die hij neemt in verband met psychische klachten (een brief van de huisarts onderbouwt dit). Volgens A vertelde B dat het alleen maar ging om voorlopige documenten en dat A er nog niet aan gebonden zou zijn. Volgens A gaf B aan dat de verkoop pas bij de notaris definitief gemaakt zou worden. Daarbij komt dat A heel slecht Nederlands verstaat, de koopovereenkomst niet kon lezen en dus niet kon begrijpen wat erin staat. A heeft maar getekend omdat B zei dat hij toch nergens aan gebonden zou zijn. Hij dacht dat hij er nog over kon nadenken, en wilde dat B weg zou gaan.
Het hof overweegt:
‘6.3 [A] heeft afdoende aangetoond dat in de ochtend van […] juni 2020 ten tijde van de ondertekenen van de koopovereenkomst bij hem sprake was van een geestelijke stoornis. Met de brief van de huisarts […] heeft [A] dit voldoende onderbouwd.
[…]
6.4 Het hof oordeelt dat ook is komen vast te staan dat in verband met die geestelijke stoornis bij [A] de wil ontbrak om de koopovereenkomst te sluiten. Er is namelijk voldaan aan het vermoeden dat [A] de koopovereenkomst heeft getekend onder invloed van de stoornis, omdat de koopovereenkomst nadelig is voor [A].
[…]
6.5 [A] heeft gesteld dat de prijs waarvoor hij zijn woning volgens de koopovereenkomst heeft verkocht, te weten € 110.000, ver onder de marktwaarde lag die op dat moment € 200.000 bedroeg. Het hof stelt vast dat uit het overgelegde overzicht van de WOZ-waarde van de woning blijkt dat die waarde per 1 januari 2020 € 187.000,-. was en per 1 januari 2021 € 206.000,- . Er kan dus vanuit worden gegaan de WOZ-waarde ten tijde van het tekenen van de overeenkomst in juni 2020 ongeveer € 196.500,- bedroeg. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat de WOZ-waarde (in die tijd) in het algemeen lager is dan de marktwaarde. Het voorgaande betekent dat [A] zijn stelling dat de marktwaarde van de woning aanmerkelijk meer dan € 110.000,- bedroeg voldoende heeft onderbouwd.’ (curs. red.)
Het hof verwerpt ook het beroep van B op de derdenbeschermingsregel van art. 3:35 BW. Volgens het hof was B bekend met het verschil in koopprijs en de werkelijke waarde van de woning. Daarom rustte op hem de plicht om nader te onderzoeken of A werkelijk de wil had om in te stemmen met deze transactie. Het enkele feit dat A zijn handtekening onder iedere pagina van de overeenkomst heeft gezet, was niet voldoende.
Tot slot een passage uit een andere uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2020:8516) die illustreert dat, zoals gemeld, de geestelijke stoornis-problematiek niet alleen bij overeenkomsten speelt, maar ruimer toepassing heeft. In deze zaak was in geschil of X ten tijde van de verwerping van de nalatenschap leed aan een geestelijke stoornis.
Als voorafje nog even de tekst van art. 4:190 lid 3 en 4 BW over de keuze van een erfgenaam om een nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen:
‘3. De keuze kan alleen onvoorwaardelijk en zonder tijdsbepaling geschieden. Zij kan niet een deel van het erfdeel betreffen. Hetgeen aan een erfgenaam die reeds aanvaard heeft, opkomt door de vervulling van een door de erflater aan een erfstelling toegevoegde voorwaarde kan evenwel nog afzonderlijk aanvaard of verworpen worden.
4. Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen der nalatenschap. Een aanvaarding of verwerping kan niet op grond van dwaling, noch op grond van benadeling van een of meer schuldeisers worden vernietigd.’ (curs. red.)
Het hof Arnhem-Leeuwarden overweegt:
‘4.6 Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat [X] al jarenlang bekend is met een ernstige psychiatrische stoornis en episodes van decompensatie. [X] heeft derhalve een blijvende geestesstoornis. Het overlijden van zijn moeder heeft de psychiatrische toestand van [appellant] dermate doen verslechteren dat hij met een (voorlopige) rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ moest worden opgenomen in een psychiatrische instelling. Ten tijde van het ondertekenen van de verklaring van verwerping op 18 mei 2015 was [X] nog maar enkele dagen met voorwaardelijk ontslag en […] [was de ] medicatie toen nog niet optimaal was ‘ingeregeld’ […].
[…]
4.8 Door te verwerpen ontzegde [X] zich een aanspraak op […] ongeveer € 52.000. […] De verwerping was derhalve naar objectieve maatstaven beschouwd nadelig voor [X] en dat nadeel was ten tijde van de verwerping (objectief) te voorzien.’
Volgens het hof heeft X voldoende heeft bewezen dat ten tijde van de verwerping zijn geestesvermogens gestoord waren en dat die verwerping voor hem nadelig was. Dit leidt tot het (weerlegbare) wettelijk vermoeden dat de verwerping tot stand is gekomen onder invloed van een geestelijke stoornis.
In een vervolguitspraak (ECLI:NL:GHARL:2022:113) oordeelt het hof dat de mede-erfgenamen Y en Z niet zijn geslaagd in het leveren van (tegen)bewijs dat X niet leed aan een geestesstoornis. Het oordeel dat X heeft verworpen onder invloed van zijn geestelijke stoornis blijft dus overeind.
In een volgende stap gaat het hof in op het beroep door Y en Z op bescherming ex artikel 3:36 BW. Het hof meent dat aan Y en Z geen beroep op deze derdenbescherming toekomt. Daarvoor was van belang dat X een lange geschiedenis van psychische problemen heeft en dat Y en Z daarmee bekend zijn. Zo was Z bekend met de wisselende standpunten van X ter zake van het aanvaarden/verwerpen van de nalatenschap. De verwerping had bovendien grote negatieve financiële gevolgen voor X en voor Y en Z direct een behoorlijk positief financieel effect. Gelet op al die omstandigheden mochten Y en Z er naar objectieve maatstaven niet redelijkerwijze van uitgaan dat X met de ondertekening van de verklaring van verwerping de nalatenschap ook echt wilde verwerpen. Bij de (partiële) verdeling van de nalatenschap hebben Y en Z dan ook niet kunnen handelen in het redelijk vertrouwen dat hun veronderstelling dat X de nalatenschap had verworpen, juist was.
U ziet het: het al dan niet aanwezig zijn van een geestesstoornis heeft impact op allerlei rechtshandelingen en raakt daarmee het volle spectrum van de notariële praktijk. Gelukkig heeft de notariële practicus een goed ontwikkeld ‘Fingerspitzengefühl’. Veelal gaan tijdig ‘rode lampjes’ branden en treden de extra ‘wilscontrolemechanismen’ in werking zoals we die onder meer kennen van het Protocol beoordeling wilsbekwaamheid.
Categorieën: Rechtspraak